Basisvoorwaarden voor toekenning
Wie mogen plannen indienen
Tot nu toe is vooral ingezet op coalities tussen universiteiten en hogescholen, met universiteiten als penvoerders. Vanaf nu kunnen ook hogescholen zelfstandig een plan indienen.
De basisvoorwaarden voor Sprint-UP
- Bij de uitwisseling wordt de volgende verhouding gehanteerd: vo-docenten ten opzichte van ho-docenten is 1:2. De bijdrage per trio van 0,3 fte pp (0,9 fte in totaal dus) bedraagt € 22.500. De 0,3 fte mag een optelsom zijn van meerdere personen.
- Verantwoording geschiedt door middels van de FSR-tabel in de jaarrekening. In het accountantsprotocol van OCW voor de jaarrekening is opgenomen dat de accountant van de instelling moet controleren of er een administratie van de inzet van de docenten in het kader van de uitwisseling is en of die getallen overeenkomen met de cijfers uit de jaarrekening.
- De inzet van de vo-docenten is niet nader omschreven (dus vrij in te vullen). De inzet van de ho-docenten is wel nader omschreven: ho-docenten moeten 2/3 van hun tijd besteden aan het daadwerkelijk doceren. De overige 1/3 van de tijd mag naar vrije keuze ingevuld worden (dus besteed worden aan bijvoorbeeld ontwikkeling van lesmateriaal). Deze verhouding mag eventueel 1/2-1/2 zijn, zolang gestreefd wordt naar de 2/3-1/3 verhouding.
- Een Sprint-UP aanvraag moet innovatieve onderdelen bevatten, het is niet de bedoeling om louter bestaande activiteiten te subsidiëren.
Administratieve vereisten
Het Sprint-UP Programma wordt gefinancierd vanuit FES-middelen, dit brengt de bovenstaande vereisten met zich mee. Het beeld bestaat vaak dat dit gepaard gaat met een hoop bureaucratie. Dat valt in dit geval mee, de administratie is niet heel zwaar: een verklaring van beide instellingen die betrokken zijn bij de uitwisseling van de bestede tijd per docent aan de uitwisseling is voldoende (er is geen nauwkeurige urenadministratie nodig).